Wat maakt ‘Normal People’ zo’n goede tv-serie?

Het verhaal zelf lijkt op het eerste gezicht weinig om het lijf te hebben: jongen en meisje raken in het laatste jaar van de middelbare school verliefd op elkaar, gaan uit elkaar, komen daarna tijdens hun universiteitsjaren weer bij elkaar om vervolgens toch weer van elkaar verwijderd te raken. Een typische aan/uit-relatie.
Het is de manier waarop dit simpele gegeven echter is verfilmd, die de serie zo bijzonder maakt.


1. Om te beginnen: de stiltes
Er zijn maar weinig tv-series waarin zoveel stiltes vallen als in ‘Normal People’. Natuurlijke stiltes, wel te verstaan. Zoals die in het dagelijks leven ook vaak voorkomen in relaties.
Wanneer er in een film of serie stiltes voorkomen, dan is het vaak om een dramatische gebeurtenis te benadrukken: er is iets ergs gebeurd òf er staat iets ergs te gebeuren. Realiseer jij, als kijker, je dat wel?!
Niet in ‘Normal People’.
Regisseurs Lenny Abrahamson en Hettie Macdonald (elk de helft van de in totaal twaalf afleveringen) betonen zich in het kiezen van stiltes ware meesters.

2. De afwezigheid van gimmicks
Niemand raakt plotseling aan de drugs of krijgt opeens een ernstig ongeluk – een kunstgreep, waaraan veel scenario’s helaas mank gaan.  De schrijver weet het even niet meer en kiest voor een kunstmatige breuk in het verhaal, in plaats van de diepte in te gaan.
Niets van dat alles in ‘Normal People’.
We leren Connell en Marianne gaandeweg steeds beter kennen. Beiden afkomstig uit een eenoudergezin: Connell als enigst kind samenwonend met zijn moeder, Marianne woont samen met haar moeder en broer.
Qua maatschappelijke achtergrond verschillen ze nogal: Connell’s moeder is schoonmaakster en woont in een rijtjeshuis; de moeder van Marianne is een drukbezette, succesvolle advocaat met een landhuis.
Connell is een gevierde leerling op de middelbare school, vooral door zijn deelname aan het rugbyteam van de school. Marianne is een loner, met nauwelijks vriendinnen, maar wel de beste leerling van de school.
Setting: een plattelandsgemeente in Ierland, later universiteitsstad Dublin.

3. Camerawerk
We leren Connell en Marianne ook beter kennen door de vele close-ups tijdens betekenisvolle momenten. Dat heeft het effect dat je als kijker hun gevoelens en gedachten denkt te kunnen ‘lezen’. Dat was ook de bedoeling, zo vertelde regisseur Lenny Abrahamson in een interview met The New York Times.
Abrahamson werkte samen met cameravrouw Suzie Lavelle, Hettie Macdonald met Kate McCullough. Die keuze voor vrouwelijke cameramensen zal ongetwijfeld een rol hebben gespeeld bij de meest intieme scènes. Voor die opnames was ook een zogenaamde intimiteits-coördinator aanwezig, die de acteurs begeleidde bij de naaktscènes.   

4. Acteurs
Je zou denken dat wanneer een succesvol boek verfilmd wordt (van Sally Rooney’s boek zijn inmiddels wereldwijd meer dan een miljoen exemplaren verkocht), de producenten voor bekende acteurs kiezen.
De BBC en de Amerikaanse streamingdienst Hulu (eigendom van Disney) kozen echter voor twee jonge acteurs: Daisy Edgar-Jones (Marianne) en Paul Mescal (Connell), die bij het begin van de opnamen nog maar weinig ervaring hadden. Beiden waren toen respectievelijk 22 en 24 jaar.
Edgar-Jones had meegespeeld in de, ook hier in Nederland, populaire Britse tv-serie ‘Cold Feet’. Connell was net twee jaar van de toneelschool en kon hooguit bogen op deelname aan een reclamespot voor worstjes.
Het voordeel van onervaren acteurs is hun ‘naturel’, dat perfect past bij het coming-of-age verhaal.

5. Het boek
In een recent interview zegt Sally Rooney (30) dat haar eerste twee boeken als het ware zichzelf schreven (haar eerste boek was ‘Conversations With Friends’ (2017), waarvan nu ook een serie wordt gemaakt). Ze dacht bij het schrijven niet na over de vraag wie de hoofdpersonen waren, hoe het plot zich zou ontwikkelen en dergelijken.
Het succes van ‘Normal People’ heeft haar overvallen en maakte het voor haar niet makkelijk om haar derde boek, ‘Beautiful World, Where Are You’, te schrijven.
Onwillekeurig lag er een bepaalde druk op haar. Het nieuwe boek is net in Nederlandse vertaling verschenen en werd door recensenten matig ontvangen.
De kracht van ‘Normal People’ is juist die authenticiteit. En het knappe van de tv-serie is dat het diezelfde authenticiteit heeft weten te behouden.
Juist in een tijd waarin echt en onecht nauwelijks meer van elkaar zijn te onderscheiden.

‘Normal People’ werd in augustus/september uitgezonden op NPO3 in vier afleveringen (oorspronkelijk bestaat de serie uit 12 afleveringen van elk een half uur). De serie is op DVD verkrijgbaar.

Zijn we de weg kwijt in het publieke debat?

Tijdens de coronacrisis heb ik mijn werkkamer eens flink opgeruimd. En hoe gaat dat dan? Je komt dingen tegen waarvan je was vergeten dat je het had, maar die huidige kwesties wel opeens in een ander daglicht plaatsen. Wat dacht je bijvoorbeeld van een verband tussen Wouter van Noort, William Safire en Jan Tromp?

Zo kwam ik bij het opruimen een column tegen van William Safire uit The New York Times van 1994 (!). Safire is inmiddels al weer 11 jaar dood, maar 13 jaar vóórdat de eerste iPhone op de markt kwam, voorzag hij al dat er een apparaat op de markt zou komen waarmee wij de hele wereld letterlijk binnen handbereik zouden krijgen (en je neemt het hem dan ook niet kwalijk dat hij een smartphone toen nog ‘unimedia’ noemde).
Belangrijker evenwel is dat hij de gevolgen van die vinding voorzag. Elk individu zou voortaan toegang krijgen tot een schier oneindige hoeveelheid informatie en amusement. En Safire vond daarvoor een prachtige vergelijking: de lamp van Alladdin!

Column William Safire van 8-2-1994

Nu gaan we fast forward naar de verontwaardiging die is ontstaan na het optreden van Wouter van Noort in de talkshow van Op1 (donderdag, 2 juli).

Van Noort vestigde de aandacht op ‘de sfeer en heftigheid van discussies’ op social media. ‘Er is een soort meltdown aan de gang’, voegde hij er dramatisch aan toe.
En de dag daarop plaatste hij een oproep op LinkedIn: ‘Wat kunnen we eraan doen?’

Uit de reacties blijkt dat nogal wat mensen de verantwoordelijkheid leggen bij enerzijds ‘de media’ en anderzijds platforms als Facebook en Twitter.
Weinig mensen leggen de verantwoordelijkheid bij het individu zelf.

En dat was nu juist waar William Safire in zijn column van 26 jaar geleden voor waarschuwde (zie de laatste regel): ‘De geest is uit de fles!’
Wat Van Noort dus eigenlijk vraagt, is ‘Hoe krijgen we de geest weer terug in de fles?’

Een vraag die rijkelijk laat komt: Facebook bestaat bijna 15 jaar, Twitter 14 jaar. Terwijl het dus niet zo is dat we niet waren gewaarschuwd! Niet alleen in 1994 door William Safire (een gerespecteerd journalist/schrijver met een grote lezersschare), maar ook door anderen.
Jan Tromp schreef een jaar eerder (1993) in de Volkskrant het volgende:

‘Het einde van de Koude Oorlog bleek een koude douche. Het is duidelijk dat we eigenlijk geen echte intrinsieke opvattingen hebben. Dat wil zeggen: we hadden ze wel, maar ze blijken schematisch te zijn geweest en eenzijdig. Er is een terugval naar een soort middeleeuwen, met een even fanatiek als stompzinnig nationalisme.’

Tromp’s observatie stond in een kader bij een artikel dat hij en Stephan Sanders schreven over het Nederlandse opinieklimaat. Het schuurde toen ook al. En, voor de volledigheid, er was nog geen iPhone en er waren nog geen social media.
Het publieke debat vond toen hoofdzakelijk plaats in dagbladen, tijdschriften en op radio en televisie. Redacties bepaalden wiens opinie werd geplaatst.

Het verschil met toen is, dat nu IEDEREEN zijn mening kan laten horen. Weliswaar in een ander context dan in 1993/1994, maar er valt een opmerkelijke overeenkomst te constateren: net als toen heerst er veel onzekerheid. Lees maar wat Tromp nog meer schreef over het opinieklimaat in 1993:

Artikel Jan Tromp in de Volkskrant van 26-6-1993.

En net als nu was er toen de vraag om richting:

‘Een beetje richting, een beetje leiderschap zou helpen. Juist nu alles uit zijn voegen raakt en er schreeuwende behoefte bestaat aan richting, mocht je hopen dat het publieke debat zou bloeien.’

‘Bloeien’ is nou niet echt het eerste woord dat in je opkomt als je het publieke debat van nu volgt.
Facebook en Twitter zijn ook geen ideale platforms voor een goed debat (maximaal 280 tekens of 2 minuten voice leent zich slecht voor een genuanceerde gedachtewisseling).
Tromp stelde toen dezelfde vraag als Van Noort nu: ‘Wat valt er aan te doen?’

Eigenlijk is het een taak voor de publieke omroep. Een debatprogramma als De achterkant van het gelijk zou in vernieuwde vorm een goede aanzet kunnen geven. Het format leent zich uitstekend voor de behandeling van actuele onderwerpen, zoals

  • woningbouw,
  • stikstofbeleid,
  • energietransitie en
  • arbeidsmarkt.

Nodig dan niet alleen maar ‘deskundigen/experts’ aan tafel, maar ook vertegenwoordigers van groepen die zich niet gehoord voelen.
Zorg dat er ook een online-editie van zichtbaar is (YouTube), zodat alle generaties bediend worden. En ga een samenwerking aan met dagbladen, zodat de discussie ook langs die weg een vervolg krijgt.

We gaan een verkiezingsjaar tegemoet en de omroepen maken zich op voor een nieuw RTV-seizoen, waarin zij hopelijk met nieuwe programma’s komen die iets toevoegen.
Een uitgelezen kans voor de publieke omroep om haar bestaansrecht te bewijzen.

‘Leuker nieuws maken’ (revisited)

Het was maar een klein bericht in NRC/Handelsblad van woensdag, 23 januari, maar die krant nam tenminste nog de moeite om er plaats voor in te ruimen.

‘New York Times-columnist Russell Baker (93), winnaar van de Pulitzerprijs, overleden’

Op een paar journalistieke adepten na zal het bericht de meeste lezers waarschijnlijk zijn ontgaan (linksonder, pagina 14).
Wat was er zo bijzonder aan Russell Baker? Baker was een meester in het schrijven van satire, een stijlvorm die slechts weinigen echt beheersen. Maatschappijkritiek verpakt in ironie. Hij was er zo goed in dat hij er in 1979 een Pulitzerprijs voor kreeg. Die prijs kreeg hij voor zijn Observer-column in The New York Times. Over een periode van meer dan 25 jaar schreef Baker drie keer per week die column. 750 woorden per stukje. Ga er maar aan staan…..

Behalve die column schreef hij ook regelmatig voor andere bladen: boek- en filmrecensies bijvoorbeeld, voor The New York Review of Books. De eerste regel van zijn boekrecensie over de geschiedenis van de FBI luidde als volgt:

‘Fear of the evil foreigner seems to be an ever-present poison in American politics, and it was running higher than usual in 1917 when young J. Edgar Hoover took his first job at the Justice Department.’

Een regel die vandaag de dag zo weer opgeschreven zou kunnen worden.

Baker was nog een old school journalist, die de kneepjes van het vak leerde tijdens nachtdiensten op de redactie van The Baltimore Sun. Na acht jaar lang politiek correspondent te zijn geweest voor The New York Times, had hij genoeg van de leugens van politici en mocht hij een column gaan schrijven: Observer.

Aanvankelijk schreef hij in die column over politiek en het politieke wereldje, maar na een paar jaar begon hij zijn werkterrein te verbreden. Een van zijn meest geliefde onderwerpen vormde zijn eigen beroepsgroep: de media.

Hier is een voorbeeld van een column van hem uit 1989, waarin hij het met name op de tv-wereld heeft gemunt:

Ik moest aan Baker denken toen ik afgelopen week aanwezig was bij een symposium over 10 jaar Nieuwscheckers. Nieuwscheckers begon ooit als een onderwijsproject voor studenten journalistiek in Leiden. Inmiddels is factchecken wereldwijd uitgegroeid tot een volwaardig beroep, dat echter niet als zodanig beloond wordt. Een van de meest succesvolle factcheck websites in Engeland is n.b. eigendom van een liefdadigheidsorganisatie.

Hoe het ook zij, ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan publiceerden de Leidse Nieuwscheckers een analyse van ruim honderdduizend Facebook-berichten over de periode 2013-2017. Daaruit blijkt dat ongeveer 5 miljoen Nederlandse Facebook-gebruikers minstens een keer pulpnieuws hadden gedeeld of leuk hadden gevonden.

Pulpnieuws bestaat uit berichtjes in de categorie van ‘Mannen worden geil van de geur van rotte eieren’ en ‘Deze vrouwen zijn in elkaar geslagen door asielzoekers’ (compleet met foto’s van lelijk toegetakelde vrouwengezichten).
Websites die zulke berichten verspreiden krijgen op Facebook meer reacties dan berichten van gevestigde media zoals de NOS of een dagblad.
Miljoenen Nederlanders vinden nepnieuws dus blijkbaar meer de moeite waard om te delen dan feitelijk nieuws.

Totdat iemand met een degelijke studie over de psychologie van het delen op social media komt (hint! hint!) onthoud ik mij van een mening over de vraag waarom mensen pulpnieuws delen.

Terug naar Baker: waarom moest ik aan hem denken tijdens dat symposium in Leiden over factchecken?
Omdat Baker die column uit 1989 zo eindigde:

Let wel: de column dateert uit 1989. Er was nog geen Facebook, er was nog geen Google. Praktisch niemand had toen nog van internet gehoord. Baker schreef over de Amerikaanse televisieomroepen, die toen begonnen met reality shows en het naspelen van gebeurtenissen.

Nu, precies 30 jaar later (…) zitten we met de gebakken peren. Nepnieuws heeft ertoe geleid dat iemand president van de VS is geworden, die dat eigenlijk helemaal niet wilde. Nepnieuws heeft ertoe bijgedragen dat een meerderheid van de Britten voor Brexit stemde.
Baker zag het aankomen. In 1989.

Dit Twitter-bericht van vrijdag, 25 januari geeft goed weer waar wij nu staan:

De ‘publieke waarde’ van de omroep. Wat is dat eigenlijk?

Afgelopen woensdag ging het Kamerdebat over de bezuinigingen op de publieke omroep niet door wegens ziekte van minister Slob. Het debat zal – in verband met het zomerreces – nu pas in september plaatsvinden. Die zomerpauze biedt iedereen mooi de gelegenheid eens goed na te denken over een begrip dat constant terugkeert in elk artikel en debat over de omroep: ‘publieke waarde’. Maar wat is die ‘publieke waarde’ dan? Hebben wij het wel over hetzelfde? En hoeveel hebben wij er voor over? Continue reading “De ‘publieke waarde’ van de omroep. Wat is dat eigenlijk?”

Zomerpeil (slot): gaat Zomergasten nog wel met zijn tijd mee?

Het mooie aan Zomergasten vind ik dat je meestal niet van te voren weet hoe zo’n zondagavond er uit gaat zien. Welke fragmenten worden er getoond? Hoe verloopt het gesprek tussen gast en interviewer? Klikt het tussen beiden? Of juist helemaal niet? Continue reading “Zomerpeil (slot): gaat Zomergasten nog wel met zijn tijd mee?”

Memorabel 2015 (in 10 hoogtepunten}

Natuurlijk, een jaar kent vele hoogtepunten en hopelijk ook persoonlijke. Dit jaar werd overschaduwd door een aantal dieptepunten, die we hier verder niet zullen benoemen. Dat is elders al genoeg gebeurd. Gegeven die gebeurtenissen dringt zich evenwel de volgende vraag op: hoe ziet de toekomst van deze planeet en zijn inwoners eruit? Voor een groot deel ligt dat in onze eigen handen. Daarom ligt het accent bij de volgende selectie vooral op Nederland: Continue reading “Memorabel 2015 (in 10 hoogtepunten}”

We kijken straks allemaal tv via apps

Een week geleden las ik dat er in de VS nu meer tijd wordt besteed aan apps dan aan televisie kijken. Om precies te zijn: 198 minuten per dag aan apps tegen 168 minuten per dag aan tv. Ik vermoed dat het hier niet veel anders zal zijn. En dan te bedenken dat staatssecretaris Dekker (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) wil dat de publieke omroep per 1-1-2016 alleen nog maar ‘onderscheidende programma’s’ gaat uitzenden. Continue reading “We kijken straks allemaal tv via apps”

‘Een televisieserie is net zo goed literatuur’

Cover_De_Blauwe_MuzeHet zou een interessant onderzoek zijn: vraag een x aantal mensen wat hun favoriete series zijn en hoeveel tijd ze er naar kijken. Vraag ze vervolgens hoeveel boeken ze lezen en hoeveel tijd ze daaraan besteden. Doe dat elk jaar, zodat je vergelijkingsmateriaal hebt. Volgens Manon Uphoff is de beste literatuur tegenwoordig namelijk op televisie te zien.

In het pamflet De blauwe muze analyseert Uphoff bekende series als Deadwood, Mad Men, The Wire en The Game of Thrones en ontdekte daarin literaire elementen.
In de VPRO gids zei Uphoff daarover:
“Een serie kijken is een beetje zoals je vroeger literaire feuilletons had in de krant. Er wordt nu wel geklaagd dat lezers een dikke roman niet meer aankunnen, maar er wordt vergeten dat de lezer destijds zo’n verhaal ook in stukken en brokken kreeg toegediend. Dat was een heel normale manier van lezen.”

Uphoff zegt in het artikel dat zij het kijken naar een serie niet ziet als ‘een keuze voor het een of tegen het ander’. “Je volgt de dialogen, je vertaalt voortdurend dingen die je op het scherm ziet, je moet verschillende verhaallijnen en plotwendingen onthouden.” Zij noemt het kijklezen en verzet zich tegen de opvatting dat ‘series kijken lui en passief maakt’.

 

Thema’s
Mad_Men_season6_posterLezen is – in tegenstelling tot wat sommigen denken – een actieve bezigheid. Wij ondergaan de aanwezigheid, de stem van een boek. En net als een boek beïnvloedt een serie onze verbeelding, onze verlangens en onze ambities.
Het beste voorbeeld vind ik persoonlijk Mad Men, waarin een tijdsbeeld wordt geschetst van het leven in ‘het land van de onbegrensde mogelijkheden’ vijftig jaar geleden. In de serie volgen wij de levens van een aantal personages werkzaam bij een reclamebureau op Madison Avenue in New York tegen de achtergrond van de historische gebeurtenissen uit die tijd – de eerste ruimtevaartvluchten naar de maan, de moord op president J.F. Kennedy, de oorlog in Vietnam.
De kracht van de serie zit ‘m in de thema’s: identiteit, relaties (man – vrouw verhouding, homofilie), verhouding werk – privé, racisme, de consumptiemaatschappij vs. de tegenbeweging. Thema’s die nog steeds aan de orde van de dag zijn en ons dus onwillekeurig een spiegel voorhouden: wat is er veranderd? Is er iets veranderd? Wat is er dan veranderd?

Nederlands
Enige kanttekening bij het pamflet van Uphoff : geldt haar analyse ook voor Nederlandse dramaseries? Al haar voorbeelden komen uit het buitenland! Wat te denken van Goede tijden, slechte tijden, een serie die volgend jaar het 25-jarig bestaan viert!?
Qua kijkcijfers halen de door Uphoff genoemde buitenlandse series het niet vergeleken met de meest succesvolle Nederlandse concurrenten: Flikken Maastricht bijvoorbeeld scoort gemiddeld twee miljoen kijkers per aflevering!

Als haar analyse ook opgaat voor Nederlands drama op de televisie, dan kunnen wij Cyrille Offermans namelijk als cultuurpessimist terzijde schuiven. In diens laatste essaybundel Wat er op het spel staat maakt hij de balans op van de kunst en literatuur na 1945. Volgens  Offermans draait het alleen nog maar om geld en wat economisch nuttig is. Ware kunst doet een beroep op de ‘hoogste intellectuele en creatieve vermogens’ van het publiek. En draagt dan ook de mogelijkheid in zich van verandering, omdat ‘elke reële verandering begint met een fictieve’.
Zou Offermans naar dramaseries kijken?

Tip: op 17-11 begint de vijfdelige serie Suspicious Minds van scenarist Daan Windhorst en regisseur Ivo van Aart.

Hoe het Nederlands televisielandschap in rap tempo verandert

Go Pro cameraHet is niet veel groter dan twee lucifersdoosjes, heeft geen scherm, maar is desondanks één van de snelst groeiende rages in de VS op het gebied van video: Go Pro. Eenmaal gemonteerd op een helm, fiets of surfplank – kortom, alles wat beweegt – filmt de met een groothoeklens uitgeruste camera alles wat de gebruiker maar in beeld wil brengen. Een video op het Go Pro kanaal van YouTube trekt gemiddeld een half miljoen kijkers. Net zoveel als de late night talkshow Pauw op NPO 1….. Continue reading “Hoe het Nederlands televisielandschap in rap tempo verandert”

Voetbalkaartje

Plattegrond Man United stadion
Plattegrond stadion Manchester United

Gisteravond Louis van Gaal in steenkolen Engels horen uitleggen waarom Manchester United – thuis! – heeft verloren van Swansea City (1 – 2). “Dee dit not plee as a team”, zei Louis.

Hij werd overtroefd door Ruud Gullit, die in de BBC-studio zat om commentaar te geven.
Vergelijk die twee eens met Arsène Wenger, de man die sinds mensenheugenis Arsenal coacht. Hij zag zijn team op het nippertje van Crystal Palace winnen. Op de een of andere manier klonk zijn Engels met Frans accent verstaanbaarder, dan het Engels met Hollandse tongval van de twee Nederlanders.
Voorlopig zal het aan de fans niet liggen: volgepakte stadions, terwijl een voetbalkaartje in Engeland toch al gauw € 150,- kost. In Duitsland betaal je voor een wedstrijd van FC Köln minstens € 78,- . Moet je hier eens kijken: € 45,- vinden wij al veel. Vind je het gek dat er van de Nederlandse Eredivisie wordt gezegd dat het een ‘Mickey Mouse-competitie’ is?