Blog

Design Unbound: ontwerpen voor ‘een nieuwe wereld’

Digitalisering, energietransitie, klimaatcrisis. Het zijn maar een paar van de veranderingen waar onze samenleving mee worstelt. Hoe pakken wij die uitdagingen aan? Welk instrumentarium gebruiken wij daarvoor? Design Unbound biedt een nieuwe gereedschapskist.

Begin dit jaar stond er op de voorpagina van De Telegraaf een artikel met een suggestieve kop over de gevolgen van het klimaatakkoord voor onze voedselconsumptie. De uitslag van de Twitter-poll die de krant vervolgens publiceerde, liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Een ruime meerderheid voelde er niets voor om minder vlees te gaan eten.

Het illustreert de complexiteit van de vraagstukken waar wij als samenleving nu voor staan. Hoe gaan wij met die complexe vraagstukken om? Beschikken wij wel over de juiste middelen om ze aan te pakken?

Het boek Design Unbound. Designing for Emergence in a White Water World reikt een nieuwe gereedschapskist aan voor de complexe uitdagingen waar wij nu voor staan.
Eigenlijk is het niet één boek, maar zijn het vijf boeken (uitgegeven in twee volumes).

Ontwerpen, zonder gebonden te zijn aan conventies of materie, voor nieuwe levensvormen in een snel veranderende wereld. Daar staat de titel van het boek voor, leggen de auteurs uit (White Water is in het Engels een beschrijving voor een wilde rivier met veel stroomversnellingen).

Stammen, Instituten, Markten en Netwerken

Uitgangspunt van Pendleton en Brown is dat wij in de afgelopen decennia dingen anders zijn gaan doen en zien en de wereld dus ook anders ervaren. Anders dan in de afgelopen eeuw(en). Zij verwijzen daarbij naar David Ronfeldt’s standaardwerk over de evolutie van de samenleving Tribes, Institutions, Markets, Networks: A Framwork about Societal Evolution. Kortweg: TIMN.

De dominante samenlevingsvormen door de eeuwen heen {Bron: David Ronfeldt, TIMN)

De tijd waarin wij nu leven, vertoont alle kenmerken van wat Ronfeldt een overgangsperiode noemt met ‘filosofische, ideologische en materiële worstelingen’.
We zien dat terug in de verstoring van de wereldeconomie (het modewoord disruption), in de verstoring van het ecologisch evenwicht en in de toenemende dynamiek van handel, financiën, milieubeleid, protocollen, evenementen en migratie.

Wat, volgens Ronfeldt, nieuw is aan deze tijd, is dat door internet netwerken aan belang hebben gewonnen. Immers, die netwerken zijn niet meer aan fysieke aanwezigheid gebonden, communiceren wereldwijd met andere groepen en individuen en zijn – zoals wij helaas vaak ervaren – lang niet altijd aan regels gebonden.

Pendleton en Brown stellen in hun boek dat als wij in een snel veranderende wereld – waarin netwerken een dominante rol spelen – aan complexe problemen willen werken, wij die wereld rondom ons anders moeten gaan zien.

Ecosystemen

De auteurs pleiten voor een ecologische kijk op het leven en verwijzen daarvoor naar Robert Ulanowicz. Ulanowicz is van huis uit chemicus, maar ontwikkelde een theorie over ecosystemen, die hij vastlegde in het boek A Third Window. Natural Life Beyond Newton and Darwin.
Volgens Ulanowicz vormt de huidige kennis over individuele organismen en soorten geen verklaring voor complex levende systemen.  

Zijn boek vormde met name voor biologen en fysiologen aanleiding om onderzoek te gaan doen naar het functioneren van organismen en dus ook ecosystemen. Zij ontwikkelden een ecologische kijk op de dynamiek van het ecosysteem. De complexe samenhang van energie en materie tussen organismen, hun gemeenschappen en omgeving blijken het systeem niet alleen in leven te houden, maar het ook te laten groeien.

De Darwinistische theorie gaat uit van een langzaam proces dat generaties kan duren, maar heeft geen verklaring voor de impact van onverwachte gebeurtenissen op het systeem. Inmiddels weten wij dat plotselinge gebeurtenissen regelmatig voorkomen en essentieel zijn voor de veerkracht van een ecosysteem. Verstoring of wanorde speelt een waardevolle rol in de evolutie.

Samen met de klassieke natuurkunde is die Darwinistische kijk op het leven bepalend geweest voor de manier waarop wij naar de wereld kijken. In die visie is de wereld een mechanisch systeem, dat bestaat uit elementaire bouwblokken die beantwoorden aan lineaire, deterministische en voorspelbare regels. Een overlevingsstrijd. In het geloof dat er een onuitputbare bron van middelen is, die beschikbaar komt door economische en technologische groei.

Dat werkt niet meer.

Nieuwe communicatiemiddelen bepalen nu ons gedrag. Informatie is niet meer iets dat wij consumeren, maar waarin wij leven. Nieuwe instrumenten (pc’s, smartphones, smartwatches, VR-brillen) geven vorm aan ons materiële welzijn, ons maatschappelijk gedrag en mentale welbevinden.
De grote problemen waar wij voor staan, worden echter alleen maar groter.

Door het raamwerk van Ronfeldt’s TIMN begrijpen wij hoe dat zo is gekomen. Met behulp van een ecologische visie kunnen wij nu werken aan het ontwerp van een ‘nieuwe wereld’.

Ontwerpen

Bij het woord ‘ontwerp’ denken mensen vaak aan iets tastbaars. Een huis, bijvoorbeeld. In ieder geval iets tastbaars, iets met vorm, op een bepaalde schaal en van bepaald materiaal.

Maar veel van de huidige problemen hebben te maken met systemen en modellen die niet fysiek zijn. En het is het ontwerp van de dingen in relatie tot elkaar en hun onderlinge verbanden (de maatschappelijke, mentale en materiële ecologieën waartoe zij behoren), die een object impact geven en die het ontwerp een ander soort dynamiek geven.

Zoals architectuur verbanden aanlegt in het menselijk leven (de ruimte bepaalt wat erin gebeurt), zo leggen niet-materiële ontwerpen ook verbanden aan. Op die manier kunnen wij ook ecosystemen ontwerpen met nieuwe mogelijkheden voor interactie en uitwisseling.

Voor het maken van die ontwerpen, stellen Pendleton en Brown een nieuwe gereedschapskist voor. Negen instrumenten (tools) op het gebied van kennis, vaardigheden en methoden, geschikt voor nieuwe ontstaansvormen.

In het eerste volume (boek 1 en 2) behandelen zij zes van die instrumenten, waarvan de eerste vijf aan de architectuur zijn ontleend. In boek 2 beschrijven zij de eerste nieuwe tool set (Emergence) en de meta-tool ‘ontwerpen voor emergence’.
In het tweede volume (boek 3, 4 en 5) worden de resterende drie beschreven + twee meta-tools.

Indeling van de hoofdstukken in Design Unbound

Design Unbound. Designing for Emergence in a White Water World is geen makkelijk boek. Daar staat tegenover dat je het boek niet in zijn geheel hoeft te lezen – zoals de auteurs ook nadrukkelijk in hun voorwoord stellen. Het is zo samengesteld, dat elk hoofdstuk afzonderlijk gelezen kan worden. Wel geven zij duidelijk aan dat er een aantal sleutelhoofdstukken zijn, die essentieel zijn voor een beter begrip.

‘Emergence’

Het voert te ver om hier alle instrumenten te behandelen. Wel verdient het begrip ‘emergence’ een toelichting. Niet alleen omdat het woord terugkomt in de titel van het boek, maar omdat Pendleton en Brown dat begrip zien als fundament voor het nieuwe ontwerpen.

‘Emergence’ zou je een levensvorm, een beweging kunnen noemen. En het gaat Pendleton en Brown vooral om de bewegingen van onderop.
Het gaat er om, aldus de auteurs, om die bewegingen van onderop te begrijpen. Die bewegingen zien wij overal rondom ons ontstaan: zowel in de natuur als daarbuiten.
En als het een beweging van onderop is, dan kunnen wij er regels voor ontwerpen. Regels die gaan over onderlinge verhoudingen, uitwisseling van informatie tussen de verschillende onderdelen.

Zelf vergelijken Pendleton en Brown het met het ontwerpen van een game, een spel. Een strategisch spel.
Zij verwijzen in dat verband onder meer naar een standaardwerk voor game designers: Rules of Play van Katie Salen en Eric Zimmerman.

‘Wij ontwerpen voor nieuwe levensvormen. Zoals een koraalrif wordt gevormd door het ecosysteem dat wij een rif noemen. Zo wordt een spel gevormd door regels toe te passen.’

Over de auteurs van Design Unbound

Ann M. Pendleton is architect, schrijver en leraar; John Seely Brown stond jarenlang aan het hoofd van Palo Alto Research Center en is medeauteur van The Social Life of Information.

Van immigrantenkind tot changemaker

Idealist? Optimist? Naïeveling? Feit is dat Dax Dasilva CEO is van een succesvol techbedrijf en oprichter van een cultureel centrum in zijn woonplaats Montreal. Nu is er zijn boek ‘Age of Union’. Een inspiratiebron, niet alleen voor ondernemers, maar voor iedereen die iets op gang wil brengen.

Dasilva’s levensverhaal lijkt op het standaard jonge-startup-succesverhaal, maar in zijn geval komt er net iets meer bij kijken.
Het begint met de Apple Mac waar zijn vader (hoofd communicatie en grafisch ontwerper) mee thuis komt. Dax gaat daar zelf mee aan de slag en begint programmaatjes te ontwikkelen. Een studie computerwetenschap is de volgende logische stap, maar dan volgt er een reeks gebeurtenissen die zijn leven een bijzondere draai geven.

Hij komt uit de kast, doet begin jaren negentig mee aan protestacties tegen bomenkap op Vancouver Island, neemt een sabbatical en besluit bij terugkomst om kunstgeschiedenis en godsdienst te gaan studeren. Hij raakt gefascineerd door de geschiedenis van het jodendom.

Keerpunt Montreal

Op 24-jarige leeftijd verhuist hij naar Montreal, heeft verschillende baantjes in de techwereld en duikt onder in de culturele wereld van de op een na grootste stad van Canada.
Het blijkt een beslissende fase in zijn leven te zijn. Niet alleen ontstaan dan de eerste ideeën over het oprichten van een cultureel centrum, maar hij bekeert zich ook tot het jodendom én legt de fundamenten voor een succesvolle startup.

Fast forward naar 2015: zijn startup groeit uit tot een van de grotere kassasystemen in de wereld en weet miljoenen aan investeringskapitaal binnen te halen. De groei van het bedrijf leidt tot diverse verhuizingen. Bij de laatste verhuizing, vanuit de wijk St. Urbain, grijpt hij de kans om het oude pand om te laten bouwen tot cultureel centrum. Zo ontstaat Never Apart.

Age of Union

Die ervaringen over een periode van 40 jaar hebben Dasilva tot de overtuiging gebracht dat wij ons op een keerpunt in de geschiedenis van de mensheid bevinden.  In zijn boek Age of Union beschrijft hij het als volgt:

“Alhoewel onze levenstandaard is verbeterd, kunnen we niet om de schadelijke gevolgen van ons sociaal-economische systeem heen: de vernietiging van onze natuur door massaconsumptie en overbevolking, de groeiende kloof tussen arm en rijk, en een technologisch gestuurde globalisering waarin internet en automatisering ons een onzekere toekomst insturen zonder een helder doel.”

Dax Dasilva na het tekenen van mijn exemplaar van zijn boek.
Dax Dasilva heeft net een opdracht in mijn exemplaar van zijn boek geschreven.

Volgens Dasilva is nú het moment om ons te realiseren dat wij er alles aan moeten doen om deze planeet te redden. Hij noemt het de Age of Union.
In dat boek, eigenlijk meer een manifest, legt hij aan de hand van vier bouwstenen uit hoe wij een betere wereld kunnen vormen.

Vier bouwstenen

Die vier bouwstenen zijn leiderschap, cultuur, spiritualiteit en natuur.

  • Leiderschap biedt individuen de mogelijkheid om als gangmaker te fungeren.
  • Cultuur biedt het kader voor onze identiteit, diversiteit en de behoefte tot verbinding.
  • Spiritualiteit geeft ons het begrip, het vertrouwen en de kracht om de transformatie tot stand te brengen.
  • De Natuur maakt ons bewust van de krachten die ons voorstellingsvermogen te boven gaan en leert ons het onbekende en wilde te waarderen en beschermen.

Elk van die bouwstenen licht Dasilva in afzonderlijke hoofdstukken van zijn boek toe.
Opmerkelijk is dat hij in het hoofdstuk over Cultuur zich kritisch uitlaat over technologie:

“Data, automatisering en AI werken in het voordeel van degenen die technologie beheren. Wordt ‘big tech’ ‘Big Brother?’
In een wereld waarin er sprake is van groeiende ongelijkheid en door de snelle veranderingen steeds vervreemder van onszelf raken, moeten wij de tijd nemen om onszelf weer te hervinden. Wij moeten technologie naar onze behoeften inrichten en het als instrument inzetten voor positieve maatschappelijke en klimatologische veranderingen.”

Acts of Union

Het leuke van het boek is dat het afsluit met 40 tips, die Dasilva Acts of Union noemt. Daar zitten voor de hand liggende tips tussen, zoals biologisch voedsel eten en kweken, lokale ondernemers steunen en onderwijs bevorderen, maar ook tips als: kook minstens een keer per week voor anderen en maak gebruik van je stemrecht.

Daarmee is het ook meteen een handleiding. Of, zoals Dasilva zelf zegt, een ‘oproep aan gangmakers’ van de transitie.
Naïef? Goedgelovig? Misschien. Feit is dat er maar weinig succesvolle tech entrepreneurs zijn, die de moeite nemen om een boek te schrijven met een boodschap én ook nog eens geld steken in de ontwikkeling van een cultureel centrum.

Wat Dasilva extra bijzonder maakt, is dat hij een niet-blanke succesvolle ondernemer is en daardoor een inspiratiebron voor immigranten(kinderen). Zoals hijzelf die dag in Amsterdam zei: ‘Het boek moet mensen de kracht geven om veranderingen tot stand te brengen’.  

Omslag Age of Union
Je kunt Age of Union hier bestellen.





‘Leuker nieuws maken’ (revisited)

Het was maar een klein bericht in NRC/Handelsblad van woensdag, 23 januari, maar die krant nam tenminste nog de moeite om er plaats voor in te ruimen.

‘New York Times-columnist Russell Baker (93), winnaar van de Pulitzerprijs, overleden’

Op een paar journalistieke adepten na zal het bericht de meeste lezers waarschijnlijk zijn ontgaan (linksonder, pagina 14).
Wat was er zo bijzonder aan Russell Baker? Baker was een meester in het schrijven van satire, een stijlvorm die slechts weinigen echt beheersen. Maatschappijkritiek verpakt in ironie. Hij was er zo goed in dat hij er in 1979 een Pulitzerprijs voor kreeg. Die prijs kreeg hij voor zijn Observer-column in The New York Times. Over een periode van meer dan 25 jaar schreef Baker drie keer per week die column. 750 woorden per stukje. Ga er maar aan staan…..

Behalve die column schreef hij ook regelmatig voor andere bladen: boek- en filmrecensies bijvoorbeeld, voor The New York Review of Books. De eerste regel van zijn boekrecensie over de geschiedenis van de FBI luidde als volgt:

‘Fear of the evil foreigner seems to be an ever-present poison in American politics, and it was running higher than usual in 1917 when young J. Edgar Hoover took his first job at the Justice Department.’

Een regel die vandaag de dag zo weer opgeschreven zou kunnen worden.

Baker was nog een old school journalist, die de kneepjes van het vak leerde tijdens nachtdiensten op de redactie van The Baltimore Sun. Na acht jaar lang politiek correspondent te zijn geweest voor The New York Times, had hij genoeg van de leugens van politici en mocht hij een column gaan schrijven: Observer.

Aanvankelijk schreef hij in die column over politiek en het politieke wereldje, maar na een paar jaar begon hij zijn werkterrein te verbreden. Een van zijn meest geliefde onderwerpen vormde zijn eigen beroepsgroep: de media.

Hier is een voorbeeld van een column van hem uit 1989, waarin hij het met name op de tv-wereld heeft gemunt:

Ik moest aan Baker denken toen ik afgelopen week aanwezig was bij een symposium over 10 jaar Nieuwscheckers. Nieuwscheckers begon ooit als een onderwijsproject voor studenten journalistiek in Leiden. Inmiddels is factchecken wereldwijd uitgegroeid tot een volwaardig beroep, dat echter niet als zodanig beloond wordt. Een van de meest succesvolle factcheck websites in Engeland is n.b. eigendom van een liefdadigheidsorganisatie.

Hoe het ook zij, ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan publiceerden de Leidse Nieuwscheckers een analyse van ruim honderdduizend Facebook-berichten over de periode 2013-2017. Daaruit blijkt dat ongeveer 5 miljoen Nederlandse Facebook-gebruikers minstens een keer pulpnieuws hadden gedeeld of leuk hadden gevonden.

Pulpnieuws bestaat uit berichtjes in de categorie van ‘Mannen worden geil van de geur van rotte eieren’ en ‘Deze vrouwen zijn in elkaar geslagen door asielzoekers’ (compleet met foto’s van lelijk toegetakelde vrouwengezichten).
Websites die zulke berichten verspreiden krijgen op Facebook meer reacties dan berichten van gevestigde media zoals de NOS of een dagblad.
Miljoenen Nederlanders vinden nepnieuws dus blijkbaar meer de moeite waard om te delen dan feitelijk nieuws.

Totdat iemand met een degelijke studie over de psychologie van het delen op social media komt (hint! hint!) onthoud ik mij van een mening over de vraag waarom mensen pulpnieuws delen.

Terug naar Baker: waarom moest ik aan hem denken tijdens dat symposium in Leiden over factchecken?
Omdat Baker die column uit 1989 zo eindigde:

Let wel: de column dateert uit 1989. Er was nog geen Facebook, er was nog geen Google. Praktisch niemand had toen nog van internet gehoord. Baker schreef over de Amerikaanse televisieomroepen, die toen begonnen met reality shows en het naspelen van gebeurtenissen.

Nu, precies 30 jaar later (…) zitten we met de gebakken peren. Nepnieuws heeft ertoe geleid dat iemand president van de VS is geworden, die dat eigenlijk helemaal niet wilde. Nepnieuws heeft ertoe bijgedragen dat een meerderheid van de Britten voor Brexit stemde.
Baker zag het aankomen. In 1989.

Dit Twitter-bericht van vrijdag, 25 januari geeft goed weer waar wij nu staan: