De ‘publieke waarde’ van de omroep. Wat is dat eigenlijk?

Afgelopen woensdag ging het Kamerdebat over de bezuinigingen op de publieke omroep niet door wegens ziekte van minister Slob. Het debat zal – in verband met het zomerreces – nu pas in september plaatsvinden. Die zomerpauze biedt iedereen mooi de gelegenheid eens goed na te denken over een begrip dat constant terugkeert in elk artikel en debat over de omroep: ‘publieke waarde’. Maar wat is die ‘publieke waarde’ dan? Hebben wij het wel over hetzelfde? En hoeveel hebben wij er voor over?

Vorig weekeinde was er sprake van een heus media-offensief door de publieke omroep: vrijdag (29-6) mocht Frans Klein (tv-directeur NPO) in de NRC uitleggen dat er niet op journalistieke programma’s wordt bezuinigd. Volgens Klein gaat de NPO juist geld stoppen ‘in nieuwe onderzoeksjournalistieke programma’s en in online journalistiek.’ 

En zaterdag (30-6) koos Paul Römer (directeur van de NTR) het Algemeen Dagblad uit als podium voor zijn pleidooi dat de omroepen (van BNNVARA tot Omroep MAX) voortaan verder gaan als zelfstandige productiehuizen. Die productiehuizen moeten  hun programma’s dan gaan aanbieden bij een NPO nieuwe stijl.

De aanleiding voor dit media-offensief mag bekend worden geacht: in een plan van aanpak kondigt de NPO bezuinigingen aan op diverse programma’s. Die bezuinigingen zijn op hun beurt weer het gevolg van het voornemen van minister Slob (Onderwijs en media) om het budget voor de publieke omroep in 2019 te verlagen van € 802 miljoen naar € 740 miljoen.

De bezuinigingen treffen met name journalistieke tv-programma’s van NPO 2: zo zou Brandpunt + van het tv-scherm verdwijnen en krijgen zeker vier andere programma’s minder zendtijd. Van de reacties van de getroffen programmamakers heeft iedereen de afgelopen dagen kennis kunnen nemen.

PUBLIEKE WAARDEN
Er is één begrip dat in vrijwel elk artikel/interview/ministerieel schrijven terug komt als het gaat om de betekenis van de publieke omroep: de publieke waarde.

Frans Klein in het NRC-interview:
“Op NPO 1 brengen we voornamelijk informatie en journalistiek, van De wereld draait door en het Achtuurjournaal tot de late talkshows. Daartussen zitten maar een paar amusementsprogramma’s, die in publieksonderzoek ook hoog scoren op ‘publieke waarde’.”

In de Volkskrant schreven Ad van Liempt e.a. over ‘de unieke publieke omroepwaarde’ van het programma Andere Tijden.

En minister Slob beschreef het als volgt in een brief aan de Tweede Kamer: ‘De publieke omroep is namelijk van grote waarde voor de samenleving.’

Maar wat moeten wij nou eigenlijk verstaan onder die ‘publieke waarde’?

In de meerjarenbegroting 2016-2010 heeft de NPO er maar liefst acht benoemd:

  1. Onafhankelijk: het aanbod komt onafhankelijk van politieke en commerciële invloeden tot stand.
  2. Betrouwbaar: de geleverde informatie is betrouwbaar.
  3. Pluriform: het aanbod levert een bijdrage aan de weerspiegeling van verschillende opvattingen en levensbeschouwingen.
  4. Divers: het aanbod levert een bijdrage aan de weerspiegeling van verschillende bevolkingsgroepen.
  5. Met impact: het aanbod levert een bijdrage aan de sociale samenhang, kwaliteit van democratie en samenleving, culturele participatie, ontwikkeling en ontplooiing van individuele gebruikers.
  6. Geëngageerd: het aanbod is gemaakt vanuit een duidelijke maatschappelijke betrokkenheid.
  7. Authentiek: het aanbod is oorspronkelijk of betreft echte en herkenbare situaties en mensen.
  8. Eigenzinnig: het aanbod wijkt af van gangbare maatschappelijke invalshoeken en perspectieven.

Daaronder staat als actiepunt vermeld: “Voor al onze televisieprogramma’s en radiozenders rapporteren we hoe het publiek oordeelt over de daaraan gekoppelde publieke waarden.”

Bron: Terugblik 2017 NPO

En warempel, als je de rapportage over 2017 erbij pakt, dan zie je een keurige radardiagram waaruit blijkt dat de publieke omroep op bijna alle ijkpunten hoog scoort. De commerciëlen scoren alleen hoger op eigenzinnigheid.

Nou kan je natuurlijk vervelend gaan doen over zo’n onderzoek (‘Wij van wc-eend enzovoort’), maar laten wij aannemen dat een marktonderzoeker als Ipsos er redelijke kwaliteitsnormen op nahoudt.

Verheugend constateren de opstellers van het rapport dan ook:

“Het Nederlandse publiek beoordeelde de publieke waarde van de televisieprogramma’s van de NPO gemiddeld wederom als hoog tot zeer hoog. Van de circa 300 onderzochte titels was de gemiddelde publieke waarde score 8.2. 92% van de programma’s voldeed aan de norm van 7.5 die we onszelf gesteld hadden.”

Niks mis mee dus, zou je zeggen met die ‘publieke waarde’. En die 8% die onder de norm uitkwamen, dat zullen dan wel de programma’s zijn waar nu de klappen dreigen te vallen.

BUITENLAND
Nu hebben we het natuurlijk niet over een typisch Nederlands probleem: overal in de westerse wereld staat de publieke omroep onder druk. Dat bleek ook weer tijdens het jaarlijkse internationale journalistenfestival in het Italiaanse Perugia afgelopen april. Tijdens een paneldiscussie zei Rasmus Nielsen (Reuters Institute for the Study of Journalism) bijvoorbeeld dat bij een onderwerp als de Brexit ook de BBC moeite heeft om neutraal te blijven. Ezra Ermann (European Broadcast Union) pleitte dan ook voor meer samenwerking tussen Europese publieke omroepen.

Het leidde in Oostenrijk onlangs tot een tweedaagse conferentie over de toekomst van de media en de omroep in het bijzonder. Tot de deelnemers behoorden niet alleen binnenlandse, maar ook buitenlandse vertegenwoordigers van pers, RTV en de overheid. Het werd ook geen ‘conferentie’ genoemd, maar een mediaenquête, die rechtstreeks werd uitgezonden op televisie.

Het medialandschap in dat land is vergelijkbaar met Nederland: ook daar wordt de publieke omroep (ORF) door particuliere media verweten aan oneerlijke concurrentie te doen dankzij staatssteun. En Google en Facebook vormen ook in Oostenrijk een bedreiging voor de ‘oude’ media.

Ik laat de (financieel/technische) details even voor wat ze zijn, maar waar het hier om gaat is dat die mediaenquête een maatschappelijk debat op gang bracht over de ‘publieke waarde’ van de media.

In dat verband leverde Sebastian Loudon een interessante bijdrage. Loudon is verbonden aan het Duitse weekblad Die Zeit en uitgever. Volgens Loudon zijn er twee interpretaties mogelijk van het begrip ‘publieke waarde’, die de reden zijn voor veel misverstanden.

  1. Publieke waarde als output van een publiekrechtelijke organisatie met haar eigen wettelijke basis (zoals in Nederland de Mediawet) en haar eigen financieringsstructuur. Alleen wat de (publieke) omroepen produceren, heeft ‘publieke waarde’.
  2. Publieke waarde als een containerbegrip voor alle media-uitingen: online, op papier, radio en televisie.

Volgens Loudon is die eerste interpretatie gedateerd. De publieke omroep stamt uit de naoorlogse periode en de maatschappij is sindsdien behoorlijk veranderd. De publieke omroep moet mee veranderen, stelt Loudon, en moet zichzelf opnieuw uitvinden. En daarmee zijn wij weer terug bij het voorstel van Paul Römer, dat ik aan het begin van dit artikel aanhaalde.

RONDETAFELCONFERENTIE
De ballon die Römer heeft opgelaten, staat niet op zichzelf. In het afgelopen half jaar zijn er vanuit omroephoek meer ballonnen opgelaten: laat providers meebetalen aan het doorgeven van de NPO-zenders, laat YouTube en Facebook meebetalen aan NOS-producties, bouw een internetplatform om content te verspreiden.

Feit is dat de inkomsten van de publieke omroep teruglopen, dat de omroepzuilen te kampen hebben met een teruglopend ledenaantal, dat Google en Facebook niet wachten…..Kortom: er moet iets veranderen. Nu kan het nog: er wordt namelijk – in tegenstelling tot wat er wel eens beweerd wordt – nog steeds redelijk veel televisie gekeken als we de cijfers van de SKO (Stichting KijkOnderzoek) mogen geloven.

Maar feit is ook dat er steeds minder lineair televisie (rechtstreeks) wordt gekeken en dat jongeren in groten getale de voorkeur geven aan online kanalen. Die trend heeft gevolgen voor het draagvlak van de publieke omroep en dus ook voor die veel geroemde ‘publieke waarde’.
Waarbij wij dan maar even in het midden laten hoe de marktverhoudingen  online liggen, aangezien eenduidig onderzoek ontbreekt en een partij als Netflix geen cijfers vrijgeeft. Duidelijk is wel dat NPO, RTL en SBS online niet meer dan een derde van de bevolking bereiken.

Om die reden verdient het Oostenrijkse voorbeeld van een meerdaagse ‘mediaenquête’ ook in ons land navolging. We staan ons er op voor dat wij zo goed zijn in polderoverleg (zie het Energieakkoord), maar zijn blijkbaar niet in staat om de toekomst van ons omroepbestel helder in kaart te brengen.
Richt zo’n overleg in rond een aantal thema’s (in Oostenrijk waren dat ‘publieke waarde’, mediafinanciering en digitalisering), nodig zoveel mogelijk (binnen- en buitenlandse) betrokkenen uit om rond de tafel(s) te gaan zitten én zendt het uit.
Het grote publiek (weet u wel van die ‘waarde’) vindt dat er ‘genoeg’ geld naar de omroep gaat, terwijl radio- en televisiemakers weten dat het bij lange na niet genoeg is…..